Vier uur per week doe ik de administratie in een restaurant voor verstandelijk gehandicapten. Het begon als een bijbaantje naast mijn studie (ideaal, want ik kon er tenminste een béétje bij nadenken en gewoon achter een bureau zitten in plaats van rondrennen met dienbladen) maar aangezien ik een vast contract kreeg, besloot ik voorlopig maar te blijven plakken. Ik heb het namelijk best naar mijn zin.

Natuurlijk zie ik de ironie van het feit dat ik als hb’er nu werk met mensen die officieel ergens zweven tussen de benamingen ‘zwakbegaafd’ en ‘geestelijk gehandicapt’ op de intelligentiecurve (zie deze blog van Richelle). Dat betekent dat we in de normale omgang en communicatie met elkaar in het gunstigste geval 45, en in het ongunstigste geval meer dan 60 IQ-punten moeten overbruggen. Lees: die moet ík overbruggen.

Geen blije downies

Dat valt niet altijd mee. Toen ik begon had ik een redelijk stereotiep beeld van gehandicapten: ik dacht dat het allemaal blije downies waren met de diepgang van een aardappel, die grijnzend de benen onder hun lijf voor je vandaan renden als je maar heel vaak en heel hard riep hoe goed ze wel niet aan het werk waren (veel gasten lijken dat trouwens ook te denken, dus ik was niet de enige). Kwam ik even van een koude kermis thuis. Niet alleen had slechts een fractie van mijn nieuwe collega’s het syndroom van Down: gehandicapten bleken bovendien te komen in alle soorten en maten. Met hun eigen emoties, karakters, afwijkingen, rugzakjes, nukken, talenten, buien, gelaagdheden en rode knoppen. Net gewone mensen, dus. Ik werd al gauw gedwongen mijn ideeën bij te stellen en elke cliënt persoonlijk te leren kennen, want dat was de enige manier om effectief te kunnen praten met deze ‘bijzondere’ collega’s.

Tegelijkertijd is werken met gehandicapten voor mij als hb’er soms ook verrassend eenvoudig. Ze hebben namelijk best wat trekjes die hb’ers ook niet onbekend in de oren zullen klinken..!

Rechtvaardigheidsgevoel

Zo zijn er nogal wat cliënten met licht autistische trekken, die houden van structuur en vaste afspraken. Ik snap dat wel: als je elke dag om dezelfde tijd pauze hebt weet je tenminste waar je naartoe werkt. En ik zou maar wát graag een excuus hebben om geconcentreerd ergens aan te mogen werken in de veilige wetenschap dat er geen andere taakjes op me wachten dan die er op het magneetbord geschreven staan.

Ook herken ik het sterke rechtvaardigheidsgevoel dat sommige van mijn speciale collega’s hebben. Zo hebben wij de regel dat personeel in de pauze geen koekje bij de koffie krijgt. Toen ik dus van een enthousiaste collega wél een koekje geserveerd kreeg tijdens het overleg van tien uur, was dat voor één van de cliënten best even slikken. Hij begon hardop zijn mantra te herhalen dat ‘regels die voor hem gelden, niet áltijd ook voor anderen hoeven gelden.’ Om zichzelf te kalmeren, zoals hij had geleerd op de woongroep. Natuurlijk is het fijn dat hij vaardigheden krijgt bijgebracht die je in het leven nodig hebt – het leven is nu eenmaal niet eerlijk en daar kun je maar beter aan wennen – maar ik snap zijn frustratie best. Geen koekje is geen koekje, toch? Ik trek het voor geen meter als ik geen foto’s mag maken in de Sixtijnse Kapel en anderen met meer lef doen het wél.

Letterlijk nemen

Veel van mijn bijzondere collega’s zijn bovendien ontzettend gevoelig. Ze hebben feilloze voelsprieten als het gaat om de sfeer, om iemands stemming of prikkels van buitenaf. Ze wéten het als er storm in de lucht hangt en raken van slag als er plotseling een politiesirene langsraast. Ook daarin kunnen ze hoogbegaafden een hand geven: die zijn relatief vaak hooggevoelig. Ik ben zo gespannen als een snaar als het brandalarm ineens begint te loeien (tot gêne van mijn vriend MOET ik dan ook mijn handen voor mijn oren slaan, anders is het teveel). En als de sfeer niet goed is, schieten de krampen in mijn rug.

Tot slot – en laat dat nou ook een typisch hb-trekje zijn – hebben gehandicapten vaak de neiging om dingen veel te letterlijk te nemen (zie deze blog van Suzanne). Pasgeleden trof ik voor het begin van de werkdag een van onze cliënten zittend op de koude grond voor de voordeur aan.

“Is dat niet fris?”, huiverde ik. “Ik krijg al blaasontsteking als ik ernaar kijk.”
“Een beetje wel”, zei hij schouderophalend, “maar ik moet m’n benen niet overbelasten.”
“Waarom dan? Heb je moeite met lopen?” vroeg ik.
“Nee, maar morgen hebben we clubkampioenschap met voetbal. En de coach zei dat we een beetje rustig aan moesten doen.”

Ik grijnsde. Dit was niet alleen héél lief en toegewijd, maar wederom vrij herkenbaar. Misschien verschillen we op sommige punten toch niet zoveel als we denken.